Misbruik van vennootschapsgoederen


Faillissementswet : wat wordt verstaan onder "misbruik van vermogen
van de rechtspersonen"?


De faillissementswet (Wet van 8 augustus 1997, B.S. 28 oktober 1997, in werking getreden op 1 januari 1998) heeft het artikel 492bis S.W. ingevoerd, waarin een nieuw misdrijf in het leven wordt geroepen, namelijk het "misbruik van vennootschapsgoederen".

De tekst van artikel 492bis S.W. luidt als volgt :

"Met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met de geldboete van honderd tot vijfhonderdduizend frank (x 200 opdeciemen) worden gestraft de bestuurders, in feite en in rechte, van burgelijke en handelsvennootschappen, alsook verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of onrechtstreekse doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon. De schuldigen kunnen daarenboven veroordeeld worden tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33 S.W.".

De plaats waar dit artikel 492bis S.W. ingevoerd is, is misleidend aangezien het misdrijf "misbruik van vennootschapsgoederen" eveneens kan gepleegd worden zonder dat het noodzakelijk gepaard moet gaan met een faillissement.

We onderzoeken dit artikel 492bis S.W. hierna nader aan de hand van volgende vragen :

1. wie kan zich schuldig maken aan artikel 492bis S.W.;

    a.  Wie is "bestuurder in feite" ?

    b.  Wie is "bestuurder in rechte" ?

    c.  Medeplichtige


2. welke vennootschappen;


3. welke zijn de basisbestanddelen van het misdrijf ?

    a.  De morele bestanddelen

    b.  De materiële bestanddelen


4. Doelstelling van artikel 492bis S.W. en enkele bedenkingen

 

5. Burgerlijke partijstelling

6. De verjaring
 

Enkele losse beschouwingen


 


1. Wie kan zich schuldig maken aan dit misdrijf ?

"... De bestuurders / zaakvoerders in rechte of in feite van
vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en V.Z.W.'s ...".
Dit zal waarschijnlijk uitgebreid worden tot aandeelhouders, een vennoot of zelfs een lid van een V.Z.W.
 


a. Wie is "bestuurder in feite" ?

Een "bestuurder in feite" is iedere persoon die ten aanzien van het beheer van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid heeft of m.a.w. degene die in werkelijkheid zeggenschap heeft, zelfs zonder enige benoeming.

Om strafrechtelijk aansprakelijk gesteld te worden, moet hij cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen :


b. Wie is "bestuurder in rechte" ?

Een "bestuurder in rechte" is eenieder die door de statuten van de vennootschap als bestuurder benoemd is. Hij kan zich eveneens schuldig maken aan dit mis drijf ook al oefent hij het dagelijks bestuur uit in het kader van een arbeidsovereenkomst, waarbij er zelfs een mogelijk gezag vanwege de raad van bestuur kan bestaan. Dit laatste belet immers geenszins dat men nog altijd in zekere mate zelfstandig kan op treden.
 


c. Medeplichtige

Ieder, zowel een derde als een persoon binnen de rechtspersoon, die zijn bijdrage heeft geleverd tot het "misbruik van vennootschapsgoederen", kan vervolgd worden.

Terug naar overzicht
 

 

 

2. Welke vennootschappen en verenigingen ?

Het toepassingsgebied betreft alle vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en voor verenigingen, enkel de V.Z.W.'s.
 

Terug naar overzicht

 

 


3. Welke zijn de basisbestanddelen van het misdrijf ?

Twee groepen kunnen onderscheiden worden :

a. De morele bestanddelen

Deze wet vereist een bijzonder opzet, met name "... met bedrieglijk opzet ...".

b. De materiële bestanddelen

Hier dienen drie criteria voldaan te zijn, met name :
 


b.1. Het gebruik

Onder het begrip "gebruik" verstaat men verduistering, verspilling, daden van beheer, daden van beschikking en omissie.

Belangrijk is dat steeds het moreel bestanddeel van het misdrijf bewezen moet worden, hetgeen bij omissie zeer moeilijk zal zijn.

b.2. Het voorwerp van het gebruik : de goederen of het krediet van de rechtspersoon
de goederen van de rechtspersoon.
Het betreft zowel roerende, onroerende, lichamelijke als onlichamelijke goederen. De rechtspersoon moet er geen eigenaar van zijn, zodra de rechtspersoon bepaalde zakelijke of persoonlijke rechten op die goederen heeft, is dit voldoende;

het krediet van de rechtspersoon.
Het misbruik van het krediet dat de vennootschap geniet, voltrekt zich door het louter feit dat een vennootschap wordt blootgesteld aan een risico om te betalen. Een voorbeeld hieromtrent is wanneer de vennootschap borg staat voor een lening van een bestuurder.

b.3. Voor persoonlijke doeleinden

Er kunnen naast persoonlijke doeleinden van materiële aard, ook professionele en morele belangen of zelfs gewoon gronden van eerbaarheid worden bedoeld.

Terug naar overzicht

 

 

 

4. Doelstelling van artikel 492bis Strafwetboek en enkele

         bedenkingen

Dit artikel heeft voor ogen, elk misbruik dat een nadeel voor de rechtspersoon oplevert, te bestraffen. Onder een "nadeel voor de rechtspersoon" verstaat men het ontnemen van een winst, een verlies of het blootstellen aan een risico.

Het behoort aan de feitenrechter, volgens de omstandigheden van de zaak, souverein te oordelen of het gebruik van goederen en van het krediet van de rechtspersoon dat beoordeeld wordt, al dan niet manifest strijdig is met het belang van de rechtspersoon. Er moet aangenomen worden dat de bestuurder over een zekere vrijheid beschikt om tussen verschillende mogelijkheden te kiezen om het belang van de vennootschap te dienen. Blijkt achteraf dat de keuze niet de beste was, dan rechtvaardigt dit nog geen vervolging. De gekozen optie beoordelen en de bestuurder eventueel daarvoor sanctioneren is de taak van de aandeelhouders.

Het nadeel voor de rechtspersoon valt nooit samen met dat van zijn leden of vennoten, aangezien de rechtspersoon een juridische entiteit is die te onderscheiden is van die van de leden of de vennoten. Het achterliggende idee van de wetgever omtrent "het vennootschapsbelang" bestaat erin ook de belangen van andere personen die betrokken zijn bij de vennootschap te beschermen zoals de schuldeisers en de werknemers.


Een voorafgaande goedkeuring of décharge door de algemene vergadering is geen schuldopheffingsgrond indien er misbruik van vennootschapgoederen kan worden aangetoond. De goedkeuring kan beschouwd worden als een weerlegbaar vermoeden van afwezigheid van een misdrijf.

De teruggave van het ontnomen voordeel leidt niet tot ontkoming aan de vervolging.

Een strijdigheid met het maatschappelijk doel houdt niet automatisch een betekenisvol nadeel voor de rechtspersoon in. Steeds moet aangetoond worden dat de handeling tegen het belang van de vennootschap is.


Een onwettigheid houdt niet automatisch een betekenisvol nadeel voor de rechtspersoon in. Indien een onwettige handeling verricht werd voor een onwettig voordeel voor de vennootschap, dan ontbreekt het derde materieel bestanddeel "voor persoonlijke doeleinden".

Een nadeel voor de rechtspersoon vereist niet het bewijs van effectieve schade. Een mogelijke schade volstaat.

Een betekenisvol nadeel voor de vennoten of schuldeisers is een bijkomende noodzakelijke voorwaarde naast een betekenisvol nadeel voor de rechtspersoon om te kunnen spreken van het misdrijf "misbruik van vennootschapsgoederen". De schade mag zich niet beperken tot het belang van de vennootschap zelf.

Een specifiek probleem komt aan de orde bij de beoordeling van de rechtmatigheid van intra-groepstrans-acties. Uitgangspunt dat in acht moet genomen worden, is in eerste instantie dat het vennootschapsbelang van de individuele groepsvennootschap behartigd wordt. Dit is vereist ter bescherming van schuldeisers, werknemers en minderheidsaandeelhouders.

Het probleem kan opgelost worden door een tegenprestatie te leveren wanneer een groepsvennootschap een verbintenis opneemt ten voordele van een ander rechtspersoon.

Terug naar overzicht

 

 


5. Burgerlijke partijstelling

De enige vereiste is dat de burgerlijke partij moet aantonen dat de rechtstreekse of de onrechtstreekse schade die geleden wordt, door het misdrijf is ontstaan.
Een schuldeiser kan zich burgerlijke partij stellen, doch hier is de vraag wat een schuldeiser zal kunnen vorderen. Meestal zal immers de zekerheid ontbreken dat hij zonder het misbruik van de goederen, zijn vordering zou kunnen verzilverd hebben. Dus zal hij moeten bewijzen dat de verhaalbaarheid van zijn schuldvordering ten gevolge van het misdrijf ernstig is bemoeilijkt of is tenietgegaan. Bij bemoeilijking kunnen enkel de bijkomende kosten of interesten worden gevorderd.
Minderheidsaandeelhouders en werknemers kunnen zich ook burgerlijke partij stellen.

Men kan zich enkel burgerlijke partij stellen voor een eigen geleden schade, m.a.w. vakbonden worden dus uitgesloten als burgerlijke partij.
 

Terug naar overzicht

 

 

 

6. De verjaring

De verjaringstermijn treedt in voege, zodra alle elementen van het misdrijf verenigd zijn. Bij verschillende achtereenvolgende daden van misbruik, dient in geval van eenheid van opzet gerekend te worden vanaf de datum van het laatste feit.

 

Terug naar overzicht

 

 

 

enkele losse beschouwingen :

 

Aandeelhouders, schuldeisers en personeel kunnen klacht neerleggen bij het gerecht als zij merken dat de bedrijfsleiding gelden en goederen aanwenden voor eigen gebruik, of als ze zichzelf ten onrechte voordelen toekennen.
Maatstaf voor een mogelijke veroordeling is dat het misbruik dat aangeklaagd wordt een betekenisvol nadeel voor de vennootschap moet uitmaken : het moet om betekenisvolle misbruiken gaan.
Het is aan de rechtbank om te oordelen of het feit een betekenisvolle schade toebrengt aan het vermogen van de onderneming.
Het nadeel dat aan de vennootschap wordt berokkend, moet ook nadelig zijn voor de vennoten en schuldeisers.
Het misbruik moet met bedrieglijk inzicht gebeuren en de bestuurder moet weten dat zijn daad op betekenisvolle wijze schade berokkent aan het patrimonium en dus nadelig is voor de vennootschap en voor aandeelhouders of schuldeisers of personeel.
Voor familie-ondernemingen waar één echtgenoot op één aandeel na alle aandelen bezit, kan de andere echtgenoot met één aandeel klacht neerleggen als de bedrijfsleider-echtgenoot telefoneert op kosten van het bedrijf naar de zoon in de Dominicaanse Republiek.
Het uitlenen van de bedrijfswagen aan de echtgenote die niet meewerkt in de onderneming kan aanleiding geven tot een klacht.
De veroordeelde bestuurder kan een boete oplopen van 100 tot 500.000 BEF (x 200) en ontzet worden uit zijn functie.

Terug naar overzicht

 

 

Veroordeling

Wie strafrechtelijk veroordeeld wordt als dader of medeplichtige wegens fiscale fraude kan voortaan veroordeeld worden tot het verbod om nog bepaalde functies binnen sommige vennootschappen uit te oefenen.
De rechter kan maar moet geen beroepsverbod opleggen, het is facultatief.
Er is geen minimumveroordeling.
Zelfs een voorwaardelijke veroordeling voor één van in het KB opgesomde misdrijven kan nu aanleiding geven tot een beroepsverbod
de vroegere vereiste van gevangenisstraf van 3 maanden, is nu weggevallen;
dus zelfs bij een voorwaardelijke veroordeling als dader of medeplichtige voor een strafbaar feit of een poging daartoe dat in de lijst van misdrijven voorkomt.
Het beroepsverbod heeft een tijdelijk karakter een minimumduur van 3 jaar en mag de 10 jaar niet overschrijden.
Het verbod geldt ook voor personen die in het buitenland zijn veroordeeld wegens vergelijkbare misdrijven, het beroepsverbod wordt uitgesproken door de Kamer van Inbeschuldigingstelling op verzoek van de Procureur-generaal.
Het beroepsverbod t.a.v. hen die strafrechtelijk veroordeeld zijn wegens bankbreuk - het verbod om nog een koopmansbedrijf uit te oefenen is voortaan ook facultatief en heeft een minimumperiode van 3 jaar en maximaal 10 jaar. Een minimumveroordeling is echter niet vereist.
Het beroepsverbod kan ook uitgesproken worden t.a.v. personen die strafrechtelijk veroordeeld zijn wegens het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen overeenkomstig 492bis strafwetboek.
De hierboven vermelde verbodsbepalingen gelden eveneens voor de uitoefening van eender welke functie waarbij de bevoegdheid wordt toegekend om de vennootschap te verbinden.

Terug naar overzicht